homepage
15 april
2015            Over ganzenproblematiek en dottertoename in Reeuwijkse reservaten

Het probleem van verganzing in de Reeuwijkse natuurterreinen van Staatsbosbeheer.
Steeds meer grauwe- en brandganzen broedend op extensieve graslanden die verruigen
.    
 

Op de foto links grauwe gans op nest, zich drukkend met naast de oudervogel een kuiken wat zich ook al drukt. Op de foto rechts heeft de grauwe gans (links op foto) het nest verlaten, de kuikens blijven achter op het nest en volgen de ouder nog niet.

Verruigd graslandperceel (gekocht door een projectontwikkelaar) in de polder Oukoop met op de voorgrond 
een grauwe ganzennest met kuikens.
Foto: 12 april 2015.


Grauwe ganzen kuikens pas uitgekomen uit het ei maar wel al opgedroogd. Foto: 12 april 2015.

Ik herinner me het nog als de dag van vandaag. Het was midden april 1990. In de polder Sluipwijk, graslandreservaat van Staatsbosbeheer, ontdekte ik het eerste broedgeval van een grauwe gans bij het Reeuwijkse Plassengebied. Het grauwe ganzenpaar zwom er met kuikens. We zijn inmiddels 25 jaar verder. De jubelstemming die ontstond bij het 1e broedgeval van de grauwe gans in Reeuwijk is verdwenen. Thans spreken we van een ganzenplaag voor zowel de grauwe- als wel de brandgans. Hoe kon het zover komen?

Allereerst is de ganzenexplosie een probleem wat grote delen van Nederland treft, met name natuurgebieden. Bekijken we het echter lokaal en geconcentreerd in het Reeuwijkse gebied dan zijn een aantal conclusies te trekken. Broedende grauwe- en brandganzen (we noemen dat zomerganzen) hebben zich zo kunnen uitbreiden omdat de oppervlakte aan natuurgebieden fors is toegenomen. Dit soort gebieden zoals de Goudse Hout, Reeuwijkse Hout, verschillende Reeuwijkse (natuur)plassen zoals Ravensberg en s'-Gravekoop bestaan (deels) uit moeras met open waterdelen en ruigtevegetaties; ze zijn ideaal als broedplaats voor gansachtigen. Maar ook voormalige agrarische graslandpolders rond Reeuwijk, al zo'n 30 jaar hebben ze de reservaatstatus, hebben zich ontwikkeld als goede broedgebieden voor ganzen vanwege het steeds extensievere beheer wat wordt gevoerd. Oorzaak? Er is vrijwel geen agrarisch bedrijf meer overgebleven, en Staatsbosbeheer moet steeds meer moeite doen om de graslanden te verpachten aan boeren. Belangstelling is er wel maar het gebruik van die gronden kent stringente beperkingen zoals het niet mogen mesten met drijfmest (wel ruige stalmest) en een latere maaidatum om de weidevogels te sparen. Maar dat werkt extensivering van het grasland wel in de hand. De grasgroei is afgenomen en daarvoor in de plaats komen steeds meer kruidachtigen waaronder ook forse aantallen (ongewenste) ruigteplanten. Daar zit hem juist de kneep want de zomerganzen (grauwe- en brandgans) broeden juist graag op plaatsen waar veel van die ruigteplanten groeien. Dat zijn ook slootkanten. Voor de najaarsschouw wordt de oevervegetatie afgemaaid en op de oever gedeponeerd. Vooral brandganzen maken dankbaar gebruik van die plekken waar het maaisel het voorjaar erna nog ligt om er te broeden.

Maar de mens laat zich ook niet onbetuigd om al die ganzen tegen te gaan. De zomerganzen worden flink achter de broek gezeten. Er worden ieder voorjaar eieren geprikt van de nesten van grauwe- en brandganzen. Dit doen medewerkers van Staatsbosbeheer in het Reeuwijkse reservaatgebied in samenwerking met mensen van Wildbeheereenheden (WBE's). Daarnaast wordt er ook intensief op zomerganzen gejaagd. Met als doel om het aantal zomerganzen drastisch te verminderen. 


Grauwe gans bij nest in de voormalige Benschopper Boezem. Het reservaat is inmiddels voor een 
deel  verworden tot een moeras bestaande vooral uit pitrusvegetaties  waar grote aantallen 
grauwe ganzen broeden. Foto: 13 april 2015.


Groep brandganzen in de polder Stein Noord. Het gaat hier om zomerbrandganzen, dus om ganzen 
die broedvogel zijn. Op de achtergrond in het wit een beginnende fluitenkruidvegetatie. Daar broeden 
ze graag tussen zoals de foto hieronder toont. Foto: 4 juni 2013.

  
(Zomer)brandganzen in de polder Stein Noord tussen het fluitenkruid in het voorjaar van 2014. 
Deze (ongewenste) plantensoort, althans in dit gebied,  rukt steeds verder op en heeft al zo'n 10-15%
van het zuidelijk deel van het reservaat bedekt. De aanwezige brandganzen maken graag gebruik van 
het hoog opgroeiende fluitenkruid als broedplaats.Op de foto rechts een nest van een brandgans. 
Ze broeden min of meer in kolonieverband. Ik liep zonder enige moeite tegen een tiental nesten aan.


Brandganzen in de agrarische polder Langeweide nabij Driebruggen. Meestal verblijven ze in de polder Oukoop 
dan wel in de polder Stein maar een hapje nemen van het eiwitrijke engels raaigras zien ze ook wel zitten.
Er zitten wellicht ook wilde brandganzen tussen die in SiberiŽ broeden, maar een flink deel betreft 
(zomer)brandganzen die in Reeuwijk broeden.



Brandganzen met kuikens in de polder Oukoop. Deze soort broedt wat later dan de grauwe gans,
zo ongeveer vanaf half mei.

 

Het gaat (weer) wat beter met de dotterbloem binnen het Reeuwijkse reservaatgebied van Staatsbeheer

   
Dotterbloemen in de polder Oukoop in slootkant bij een veenput tezamen met gele lis.

 
Langs een slootkant begint zich al voorzichtig een geel lint te ontwikkelen. Polder Sluipwijk. 12 april 2015.

Zo'n 40 jaar geleden kleurden veel slootkanten van graslanden in het Groene Hart in het voorjaar geel van de bloeiende dotters. Tot voor kort waren de meeste dotters vrijwel overal verdwenen dan wel sterk achteruit gegaan. Op agrarische graslanden is dat nog steeds zo, maar sinds enkele jaren is er in het reservaatgebied van Staatsbosbeheer rond Reeuwijk weer sprake van herstel. Weliswaar nog geen geelgekleurde aaneengesloten linten van dotterbloemen langs oevers maar verspreid verschijnen steeds meer bloeiende pollen ten teken dat de soort zich licht begint te herstellen.

Het herstel wordt in belangrijke mate veroorzaakt door een ander type slootkantbeheer wat Staatsbosbeheer voor de najaarschouw heeft ingezet. Het (mechanische) slootkantonderhoud wordt nu al een aantal jaren uitgevoerd met de maaikorf waarbij de oever- en slootvegetatie wordt afgemaaid en aan de bovenkant van de oever wordt gedeponeerd. Het wortelgestel van oever- en moerasplanten blijft daardoor gespaard. Door dit type beheer wordt de aanwezige vegetatie ontzien en tegelijkertijd worden de oevers breder en komen wat lager te liggen waardoor vochtminnende plantensoorten als gele lis en scherpe zegge zich goed kunnen ontwikkelen.
Door de lager liggende oevers t.o.v. het bestaande waterpeil  neemt de kans dat dotters (en andere moerasplanten) zich kunnen vestigen toe. De zaden van dotters en zeggesoorten als scherpe zegge hebben luchtkamertjes, ze zijn luchtgevuld waardoor ze blijven drijven. Valt het zaad na de bloei in het water dan worden ze door stroming en windinvloeden verplaatst waarbij de kans groot is dat zich kunnen vestigen op geschikte laag gelegen kale oevers. En dat is dus nu gaande en is de oorzaak waardoor de dotter zich (weer) aan het uitbreiden is in de reservaten in Reeuwijk.

Omdat de dotter uit het Reeuwijkse polderlandschap dreigde te verdwijnen hebben Staatsbosbeheer en Adviesburo De Watersnip een aantal dotterplanten uitgepoot met als doel de soort een kans te geven zich te herstellen. Een goed initiatief. Maar inmiddels heeft de natuur het heft weer in handen genomen en kan de dotter zich weer op een natuurlijke manier uitbreiden.

 
Close up van dotterbloem.


Wat hogere waterstanden in combinatie met brede laaggelegen oevers en aangepast maaikorfbeheer zijn gunstig als 
groeiplaats voor dotters.Reservaat Benschopper Boezem in de Lopikerwaard.

Meer lezen over Reeuwijkse dotters en dotters in zijn algemeen: klik hier.

 

Roofzuchtige leliehaantjes vreten aan kievitsbloemen.
           
Leliehaantjes in paring op de stengels van de kievitsbloem.

Kievitsbloemen behoren tot de familie van de lelie-achtigen. Een insectensoort die dol is op de bladeren, en vooral de bloembladen en jonge zaden van de kievitsbloem is het leliehaantje. Dit voorjaar heb ik een aantal gekweekte kievitsbloemplanten in de tuin gezet en prompt kwamen er diverse leliehaantjes op af, die zich tegoed deden aan de door mij oh zo geliefde kievitstulpjes. Het regelmatig met de hand wegvangen van leliehaantje bleek niet afdoende want diverse bloemblaadjes van de in mijn tuin bloeiende kievitsbloemen gingen er steeds meer uit zien als een gatenpakhuis.

   
Groepje kievitsbloemen, de kweekvorm in mijn tuin. Het hoge aandeel witte exemplaren is een belangrijk kenmerk dat 
het om de kweekvorm gaat. Bij de echte wilde kievitsbloem is het aandeel witte exemplaren niet hoger dan ca. 1%.
Foto rechts: de bloem links is aangevreten door een leliehaantje.

homepage

nieuwste vertellingen fotoboek landschappen zoeken foto's zoeken op trefwoorden auteur
natuur & landschap Reeuwijkse Plassen weidevogels cultuurhistorie jeugdverhalen