homepagina
20 April 2014            Fotonieuws uit het Groene Hart rond Reeuwijk (33)

Voorjaarsflora in de heemtuin Goudse Hout in bloei
 
Keizerskroon in bloei (Fritillaria imperialis). Is familie van de kievitsbloem (Fritillaria meleagris). Deze twee soorten werden al 
in de 17e eeuwmassaal als sierplant gekweekt hetgeen wordt bewezen door de vele antieke tegels waarop de voorstellingen van deze 
twee bolgewassen staan afgebeeld. Zie hieronder.

   
Foto links: Tegel met een kievitsbloem. Ca. 1620/1640. Vervaardigd bij de tegelfabriek DE SWAEN in Gouda.
Foto rechts: Tegel met een keizerskroon. Ca. 1620/1640. Vervaardigd bij de tegelfabriek DE SWAEN in Gouda

            
Foto links: Gele dovenetel (Lamiastrum galeobdolon
). Deze plant verwildert heel gemakkelijk en dat is ook goed te zien. 
Her en der kom ik deze plant tegen in (half)natuurlijke situaties, meestal in de buurt van tuinen.
Foto rechts: hondstand (Erythronium Spec). De bloemen lijken wel op die van een cyclaam. Van oorsprong komt deze plant uit SiberiŽ 
en Zuid-Europa. Deze soort kent veel kruisingsvormen.

   
Foto links: muskuskruid (Adoxa moschatellina). Muskuskruid hoort tot onze zogenaamde schaduwflora.
Foto rechts: Een Wilde cyclaamsoort (Hederifolium spec). De cyclaam kennen we als kamerplant, maar ze zijn er ook als tuinplant. 
Er groeien er ook een paar in de heemtuin Goudse Hout. Die hebben kleinere bloemen dan de vensterbankvariant.

     
Foto links: Daslook (Adoxa moschatellina). De naam daslook kan afgeleid zijn van dassen, die vroeger onder deze planten hun hol hadden.
Foto rechts: Wilde- of boshyacint hyacint (Hyacinthoides non-scripta, synoniem: Scilla non- scripta). De soort groeit in het wild alleen in oude bossen 
en wegens haar grote zaden zaait ze zich slechts uit in haar onmiddellijke omgeving. Door het planten in tuinen van de Spaanse hyacint 
(Hyacinthoides hispanica) ontstaat er in toenemende mate hybridisatie.


 
Wildemanskruid (Pulsatilla vulgaris). Tot 1968 groeide de plant in Nederland langs de Gelderse Yssel. 
Het wildemanskruid staat op de Nederlandse Rode lijst van planten als niet meer aanwezig in Nederland. 
De plant wordt echter wel toegepast als sierplant zoals ook op de heemtuin in het Goudse Hout.

Bovenstaande planten heb ik recent gefotografeerd in en nabij de Stinzentuin van de heemtuin in het Goudse Hout. De heemtuin is een gebiedje van 3,5 hectare waarbij getracht is dit op zo'n oorspronkelijk natuurlijke manier ingericht te zijn midden in het recreatiegebied de Goudse Hout. De heemtuin bestaat uit verschillende landschapssoorten, die samen een indruk geven van hoe het Zuid-Hollandse veenweidegebied er uit ziet of gezien heeft. Door verstedelijking, andere landbouwmethoden en ontwatering zijn veel van deze landschapssoorten verdwenen of sterk achteruit gegaan. In de Heemtuin Goudse Hout wordt de natuurlijke situatie en de diversiteit van het oorspronkelijke veenweidegebied zoveel mogelijk ter vergelijking in ere hersteld. Het gebied is een mooie overgang tussen stad en platteland. Het ligt pal naast de woonwijk Achterwillens en vlak bij de Reeuwijkse Plassen.

 

Oranjetipje (Anthocharis cardamines).

Het oranjetipje is in het Groene Hart in West-Nederland een vrij zeldzame dagvlindersoort. De soort is in dit deel van Nederland slechts bekend van een paar plekjes zoals het Loetbos in de Krimpenerwaard en het Gouwebos bij Boskoop. Maar het is blijkbaar een gunstig voorjaar voor het oranjetipje want recent (23 april 2014) zijn ook exemplaren gezien in de polder Stein in Reeuwijk (L. Schuilenburg), het Weegje bij Waddinxveen en nabij het landgoed Dordwijk in Dordrecht.
De onderzijde van mannetje en vrouwtje is vrijwel gelijk. Oranjetipjes vliegen op bloemrijke vochtige graslanden en in bosranden. Het zijn vooral de mannetjes die actief zijn en die zijn goed te herkennen. Het witte vlindertje heeft opvallende oranje vleugelpunten. Bij de vrouwtjes ontbreekt de oranje kleur en deze zijn te verwarren met koolwitjes. Als je de onderkant echter kunt zien is verwarring niet meer mogelijk, want ook vrouwtjes van oranjetipjes hebben een prachtige groenbruine tekening op de onderzijde van de vleugels. Het oranjetipje vliegt vanaf maart t/m juni op vooral pinksterbloem en look zonder look. Op die planten leggen ze ook hun eitjes. De rupsen van het oranjetipje zijn gespecialiseerd op de familie van kruisbloemigen. Pinksterbloem is erg geliefd, maar ook look-zonder-look wordt gebruikt


Mannetje oranjetipje zittend op de bloemen van look zonder look. Foto: 13 april 2014.

Mannetje oranjetipje zittend op de bloemaar van grote vossenstaart. Foto: 13 april 2014.

 


Over gele dotterlinten in het Groene Hart en over het hoe en waarom.

Polder Oukoop in Reeuwijk. Oever met flinke aantallen bloeiende dotters. Foto: 17 april 2014.


Krimpenerwaard omgeving Bergambacht. Agrarisch grasland noordelijk Kadijk Oost. 
Oever met flinke aantallen bloeiende dotters. Foto: 13 april 2014.

Er is nog maar weinig over van de vroeger oh zo algemeen voorkomende dotterbloemen in het Groene Hart. Ik kan me nog wel herinneren dat veel slootkanten geel waren van de vele dotters die er groeiden. De oorzaak van de sterke afname is bekend n.l. o.a. waterstandverlaging en intensivering van de landbouw. In reservaatgebieden (vochtige graslanden op veengronden) staat de soort er nog wel wat beter voor omdat daar het gevoerde beheer aangepast is en extensief. Maar dotters kunnen zich toch hier en daar nog redelijk goed handhaven, zelfs in agrarische gebieden. In polders waar aan agrarisch natuurbeheer wordt gedaan krijgen boeren subsidie om oevers later te maaien. Ook worden steeds meer oevers voor de najaarschouw gesloot met de maaikorf waardoor de wortels van dotters niet worden uitgerukt maar afgemaaid zodat ze het volgend jaar weer kunnen uitgroeien. Door de extensieve manier van slootonderhoud in combinatie met het uittrappen van oeverkanten door het grazende vee komen oevers lager te liggen t.o.v. het waterpeil. Dat nu vormt precies een goed biotoop voor dotterbloemen. Het dotterbloemzaad valt na de bloei op de bodem onder de plant. Soms komen  zaden daarbij  in het water terecht.  De zaden van dotters blijven goed drijven omdat ze luchtkamertjes hebben. Door windwerking en waterstroming worden de zaden verspreid en kunnen op die manier elders weer tot ontkieming komen. De beste kans van slagen is als de waterstand zo hoog is (of de oever zo laag) dat de zaden op een gunstige plek, die dan ook meestal nat is omdat hij aan de rand van een sloot ligt,  kunnen kiemen. 

Op dit moment bloemen de dotterbloemen volop. Dotters zijn voor mij samen met grutto's de voorboden van het voorjaar. Het zien van de eerste grutto en bloeiende dotter laat je bloed sneller stromen. Veel graslanden waren in het verleden in de wintermaanden en voorjaar zo nat dat er zelfs tot in het middendeel van de percelen en langs greppels dotters groeiden. Talloze oevers van graslanden vormden in het voorjaar langgerekte geelgekleurde linten vol met dotterbloemen. Het voorkomen van dotterbloemen is nu grotendeels beperkt tot reservaten, agrarische graslanden met natuurvriendelijke oevers, Gemeentelijke plantsoen en particuliere tuinen.  Binnen de Gemeente Reeuwijk is de dotterbloem ook weer op een aantal plaatsen teruggekeerd door het uitzetten van planten in speciaal daarvoor aangelegde natuurvriendelijke moerasoevers. 

 

Wilde eenden broeden graag in knotwilgen.


Wilde eend broedend in de pruik van een knotwilg. Foto: 1 april 2014.

Wilde eenden broeden dolgraag in oude knotwilgen. Dit voorjaar zag ik alles bij elkaar een kleine 25 wilde eenden broedend in knotwilg, knotes of knotpopulier. Opvallend daarbij was dat er nauwelijks wilde eenden broedend in recent afgeknotte wilgen werden aangetroffen. Blijkbaar vormen de takken op de pruik een goede bescherming tegen predatoren.

Oude knotwilgen zijn ook favoriete broedplaatsen van tal van vogelsoorten. Veel van die oude knotwilgen, vooral bij boerderijen rond Haastrecht stonden er vroeger veel van, zijn verdwenen en daarmee ook veel geschikte broedplaatsen voor vogels. Vogelsoorten als kauw, houtduif, holenduif, wilde eend, koolmees, pimpelmees, ringmus, winterkoning, witte kwikstaart, spreeuw, ransuil, steenuil, bosuil broeden graag in oude knotwilgen. Een aantal van de genoemde vogelsoorten broedt in natuurlijke holten.

Ook de gekraagde roodstaart, nu als broedvogel vrijwel volledig verdwenen uit het Groene Hart, broedde in mijn jeugd regelmatig in oude knotwilgen. Bij voorkeur in het midden van de stam die dan flink vermolmd was. Ze broedden dan in holten in die molm(=mengsel van vergaan materiaal).

 

Haat-liefde verhouding: Fuut en meerkoet "vredig" broedend vlak naast elkaar.
       
Fuut en meerkoet. Broedend vlak naast elkaar. Foto: 14 april 2014.

Futen zoeken om te nestelen soms de nabijheid op van nestelende meerkoeten of misschien is dat wel andersom. Toch houden ze elkaar wel nauwlettend in de gaten is mijn ervaring. Zo ook met deze paren die op amper een meter bij elkaar vandaan een nest hadden. Een van de meerkoeten kwam  regelmatig met nestmateriaal aandragen hetgeen uiterst argwanend werd bekeken door een van de futen. Maar schermutselingen bleven uit.
Wilt U meer lezen over futen
klik hier

 

Waterviolier(Hottonia palustris).
       
Een veldje waterviolier met een paar bloemen en veel vegetatieve exemplaren. Foto: 20 april 2014.

Waterviolier is een waterplant die groeit op plaatsen waar volgens de boeken sprake is van kwel en een klei-achtige bodem. In het verleden heb ik veel botanisch onderzoek gedaan in en rond het Reeuwijkse Plassengebied. Maar ik ken waterviolier maar van een paar plekjes in de omgeving van Gouda-Reeuwijk. De plant groeit in slootjes met helder water ver weg gelegen van een inlaatpunt van rivierwater. De groeiplaatsen die ik nu nog ken komen voor in voormalige boezems in de polder Stein Zuid en de polder Groot Hekendorp.

 

Bonte schapen en lammetjes in de wei.
       
Bonte schapen met lammetjes. Foto: 20 april 2014.

De herkomst van dit schaap is onbekend. Wellicht kan genetisch onderzoek zijn afkomst aan het licht brengen. Het zou kunnen zijn dat het Nederlandse bonte schaap voortkomt uit een bont heideschaap. In ieder geval staat vast dat het bonte schaap van oudsher voorkwam in het veenweidegebied en dat het zich pas de laatste tien jaar heeft verspreid over de rest van het land. Het waren vroeger bij uitstek de schapen van boeren in het veenweidegebied. Er zijn naar schatting enkele tienduizenden bonte schapen in Nederland. Wilt U meer lezen over schapenrassen klik hier.

 

Kuifeend vliegt bijna de lens in.
    
Deze kuifeend zat in een slootje dat doodliep op een dam. Om weg te kunnen vliegen moest de eend tegen de wind
opstijgen en dat was precies in mijn richting. Het gedrag van de kuifeend toonde aan dat hij weg ging vliegen.
Dus telelens 300mm  in de aanslag. De kuifeend vloog op vlak langs mij heen. Kon twee foto's maken waarvan ik
eigenlijk direct vermoedde dat de eend maar half op het beeld zou staan. Maar wat bleek. Stond mooi in
het midden van het beeld. De foto is alleen verkleind. Foto: 3 april 2014.

 

Nestelende staartmees.
    
Staartmezen maken een bolvormig nest wat grotendeels is opgebouw uit blad- en korstmossen. De binnenkant van het nest
wordt bekleed met veertjes. Dit staartmeespaartje was in de Reeuwijkse Hout in Reeuwijk druk bezig met de bouw van een nest. 
Het nest zat tegen de stam van een boom en was min of meer verankerd door de lianen van een braamstruik. 
Er werden ook veertjes aangedragen zoals op de foto is te zien. Foto: 1 april 2014.

homepage

nieuwste vertellingen fotoboek landschappen zoeken foto's zoeken op trefwoorden auteur
natuur & landschap Reeuwijkse Plassen weidevogels cultuurhistorie jeugdverhalen